JAN
KEMPENAERS
Jan
Kempenaers werd geboren in 1968 en stelt tentoon sinds 1991. Zijn
werk was te zien op tal van tentoonstellingen zoals “Jan
Kempenaers en het jaarlijks architectuuroverzicht in Vlaanderen”
(De Singel, Antwerpen, 1998), “On European Tracks”
(Nederlands Architectuurinstituut, Rotterdam, 2000) en “Scripted
Spaces. The Chase and the Labyrinth” (Witte de With, Rotterdam,
2000).
In 2001 stelde hij individuele tentoonstellingen samen voor het
MUHKA en het Museum voor fotografie in Antwerpen. Tijdens datzelfde
jaar werd hij genomineerd voor de Werner Manz Prijs en was hij
laureaat van de Prijs voor visuele kunst van de provincie Vlaams-Brabant
en de Prijs voor fotografie van de provincie Antwerpen.
In 2002 wordt zijn werk getoond tijdens tentoonstellingen die
georganiseerd worden door Kurt Van Belleghem (“Lost Locations”,
Brugge), Johan Pas (“Le petit cabinet d’un amateur
de ruines”, Oostende), Moritz Küng (“The Lost
Past”, Ieper) en Edith Doove (“They Say this Is the
Place”, Antwerpen).
De japanse foto's
Voor de tentoonstelling “Lost Locations”, Brugge 2002,
heeft Kempenaers in het Brugse treinstation een grote lichtbak
laten ophangen, waarin een jaar lang elke maand een nieuwe foto
wordt getoond uit een reeks die hij vorig jaar heeft gemaakt in
de Japanse steden Hiroshima, Kure en Fukuyama. In het Zwart Huis
zijn een aantal van deze foto’s voor het eerst te zien samen+
met een tiental foto’s die werden gemaakt in Tokyo.
De foto’s van Jan Kempenaers worden gemaakt met een technische
camera op statief, op basis van grote negatieven, meestal afgedrukt
op een formaat van zo’n 100 bij 130 cm. Ze worden vaak gemaakt
van op afstand en vanuit hoger liggende standpunten.
Eigenlijk kennen we maar één intentie van Jan Kempenaers,
namelijk dat hij ernaar streeft heel scherpe foto’s te maken,
omdat hij ervan houdt op vergrotingen net iets meer te kunnen
zien dan met het blote oog. Je merkt dit ook aan het formaat van
de tentoongestelde foto’s, die nooit zo groot worden dat
de korrels de details opnieuw onleesbaar zouden maken. De vergroting
is net voldoende voor het minieme, revelerende effect.
Een ander opvallend kenmerk van Kempenaers’ foto’s
is zijn voorkeur voor een mat, homogeen licht, met zo weinig mogelijk
ongefilterd zonlicht. ‘Met een grijze hemel krijg je een
onwezenlijk, dun beeld,’ vertelt hij, ‘de landschappen
verliezen hun diepte. Ik vind dat heel mooi.’
Ik
antwoord hem dat ik mij meer aangetrokken voel tot foto’s
waarop de zon een zotte cinema van voortglijdende lichtvlekken
en schaduwen tovert en dat ik niet graag zou rondlopen in zijn
grijze landschappen.
‘Maar als je daar zou rondlopen zou je dit landschap nooit
zien,’ antwoordt hij zacht.
Jan Kempenaers maakt foto’s. Hij maakt geen landschappen,
geen schilderijen, geen sculpturen, geen installaties. Hij klimt
op een berg of op een hoog gebouw, dwingt een boeiend architecturaal,
urbanistisch of louter visueel gegeven in een kader en creëert
een beeld dat hij als een ijl, pasgeboren vlies voor onze ogen
hangt.
Soms worden we getroffen door de grootse spektakels die hij in
een kader heeft gedwongen. Autosnelwegen, monorails en kanalen
storten zich vanuit de linker- of rechterhoek van de foto schuin
of bijna loodrecht op de horizonlijn, die meestal bestaat uit
andere gebouwen, het silhouet van een stad, een spoorweg, een
parkeerplaats, een haven of een andere agressieve of elegante
architecturale ingreep. Doordat de foto’s vaak vanuit een
hoger gelegen standpunt worden gemaakt wordt het architecturale
heen en weer spelletje van maquette en origineel versterkt. Een
foto die werd gemaakt van op het bovendek van een bootvormig gebouw
biedt ons een blik op een lager gelegen vijver waarop enkele radiogestuurde
miniatuurbootjes drijven. Naast deze vijver staat een geschilderd
panorama waarop een zeegezicht werd afgebeeld. Er staat ook een
plastieken tafel met twee stoelen die er op een onwennige manier
uitzien als miniaturen, ook al zijn ze de enige alledaagse voorwerpen
die we kunnen waarnemen op de voorgrond van deze foto.
Een prachtige foto die werd gemaakt in de bergen rond Kure toont
ons op de voorgrond een kerkhof dat rust tussen de flanken van
twee beboste bergen. Op de achtergrond zien we de stad Kure op
dezelfde manier verzonken liggen tussen de bergen, als een spiegelbeeld
van dit kerkhof.
Voor het eerst zien we in deze foto’s ook herkenbare mensen
opduiken. Een dame laat haar boodschappentas even op het trottoir
zakken om naar adem te happen, een vooroverbuigend, doorzakkend
meisje tilt vermoeid een gebogen knie om een plotselinge helling
in het voetpad te kunnen overwinnen zonder zich te moeten verheffen.
Een leraar baseball demonstreert een slaghouding terwijl zijn
leerlingen toekijken. Boven de rand van het stadion verrijst een
Babelse stad waar tientallen reusachtige hijskranen betonnen torengebouwen
broksgewijs de lucht in trekken.
Johan Pas heeft erop gewezen dat de beelden van Kempenaers ons
uitnodigen hen te bekijken als abstracte composities. Ik zou daar
willen aan toevoegen dat ze ons zo ook uitnodigen naar de geboorte
van de foto te kijken. Soms trekken de grafische effecten van
het beeld onze aandacht weg van het onderwerp en lijkt het alsof
Kempenaers ons wil laten voelen hoe een fotografisch beeld zich
lostrekt uit het contrast tussen de korrels. Het lijkt alsof we
door de ogen van de kunstenaar naar een spiegelbeeld van onze
wereld kijken. Maar soms verglijdt onze blik naar het enigszins
matte oppervlak van de spiegel en verwonderen we ons over de manier
waarop het beeld daar ontstaat. Kempenaers maakt een kunst van
de verwondering die zich vermomt als een oefening in onverschilligheid.
Tekst: Hans Theys