JAN
FABRE
Searching
for Utopia
De
schildpad in het werk van Jan Fabre
Tijdens de zomermaanden exposeert het Zwart Huis het meest recente
werk van de Antwerpse artistieke duizendpoot Jan Fabre.
De tentoonstelling bestaat uit levende schildpadden en tekeningen,
sculpturen, installaties, waarvan telkens het motief van de schildpad
centraal staat. De werken dateren van eind jaren ’70 tot
vandaag.
Hun presentatie sluit aan op Fabres creatie van Searching for
Utopia, een bronzen sculptuur die hij in het kader van het kunstproject
2003 Beaufort gecreëerd heeft, en die op het strand van Nieuwpoort
staat. De sculptuur stelt een vrouwelijke zeeschildpad voor, met
op haar rug, teugels in de hand, de kunstenaar zelf.
De dierenwereld duikt voortdurend en onder allerhande vormen in
Jan Fabres oeuvre op. Kevers en uilen zijn bekende en veel voorkomende
sparringpartners van zijn verbeelding, maar ook papegaaien, kikkers,
wandelende bladeren, bidsprinkhanen, vissen, vleermuizen, spinnen
of vliegen figureerden bij een of meer gelegenheden in zijn artistieke
universum.De schildpad opereerde tot dusver veeleer in de schaduw.
Haar plotse verschijning aan de Belgische kust roept bijgevolg
vragen op.
De tentoonstelling in het Zwart Huis traceert de gedaantes, rollen
en betekenissen die het dier in Fabres oeuvre aanneemt of belichaamt.
Daaruitblijkt dat de schildpad een uitgelezen Krijger van de Schoonheid
en van de Wanhoop is.
In een 8mm-zwartwit-filmpje uit
1978 geeft Jan Fabre aan een van zijn huisdieren, Mieke de
schildpad (een Griekse landschildpad), een grote verse tomaat.
Telkens als Mieke ervan wil bijten, schuift de tomaat weg, omdat
de huid van de vrucht voor haar bek te gespannen en te glad is.
In een dagboekfragment schrijft Fabre:
“ Maar Mieke gaf nooit op. Ik merkte dat ze de tomaat in
de richting van de hoek duwde. Toen de tomaat eindelijk in de
hoek lag, bleef ze met haar kop in haar huis tegen de tomaat aanduwen,
tot de huid van de tomaat rimpelde, zodat haar bek grip kreeg,
om te bijten in de tomaat. En dan begon het feest van de Griekse
heldin. De tomaat werd in één sessie half opgegeten.”
Fabre schrijft dit in zijn dagboek op 27 juli 1982, tijdens het
repetitieproces van de podiumproductie Het is theater zoals te
verwachten en te voorzien was. Hij toont de film aan zijn acteurs
en dansers. Het is de bedoeling dat die tijdens het repetitieproces
de wetten van tijd en beweging, herhaling en discipline zo naar
hun hand zetten, hun mentale en fysieke grenzen zodanig aftasten
en verschuiven, dat ze herboren worden en in een nieuwe gedaante
verrijzen. Door concentratie en eliminatie kunnen ze tot een essentie
komen, werkelijk in hun lichaam gaan wonen en teken worden van
hun persoonlijkheid en eigenheid. In ultieme instantie wordt de
danser/acteur een Krijger van de Schoonheid, even volhardend en
dapper, grappig en intelligent als Mieke, de Griekse heldin.
De schildpad is een van de oudste oerkrachten en oerdieren die
de aarde vandaag bevolken. In de tijd van de dinosaurussen, de
glorietijd van de reptielen (zo’n 230 tot 70 miljoen jaar
geleden), liepen reusachtige voorouders van de schildpadden op
de aarde rond. De schildpad overleefde de ondergang van de dino’s,
en in haar huidige vorm heeft ze het, dankzij haar uitzonderlijke
aanpassings- en doorzettingsvermogen, de laatste 150 miljoen jaar
uitgehouden. Daarmee is ze drie keer zo oud als de huidige zoogdieren
en meer dan 3000 keer als de homo sapiens. De 21ste-eeuwse schildpad
verschilt op uiterlijk vlak nauwelijks van haar fossiele, oeroude
voorouders. Ook in haar huidige vorm blijft ze een ongemeen taai
dier dat een paar dagen zonder zuurstof en verscheidene maanden
zonder voedsel overleeft. Dit uiterst merkwaardig wezen, met zijn
indrukwekkend pantser, robuuste kop en geschubde poten, incarneert
een geheugen dat onze geschiedenis in het niets doet verzinken.
In die zin lijkt de schildpad sterk op de kever, nog zo’n
succesvolle, gepantserde krijger die de millennia getrotseerd
heeft. Geen wonder dat de schildpad, als hoofdrolspeler van mythen
en rituelen, het geheugen en de verbeelding van zoveel beschavingen
gevoed heeft. Als in het hindoerijk eens in de vier miljard jaar
een grote vloed de aarde oplost, dan neemt de god Vishnu de gedaante
van een grote schildpad aan, die op haar rug het vat torst waarin
goden en demonen de elementen mengen die nodig zijn om de aarde
te herscheppen. Tot op vandaag worden de moerasschildpadden die
in de wateren rond het boeddhistische heiligdom van Wat Po (Bangkok)
leven, gezien als symbolen van onsterfelijkheid, als tijdelijke
verblijfplaatsen voor de mensenzielen, die door opeenvolgende
wedergeboorten de weg naar het nirvana afleggen.
De schildpad is een tussenwezen, dat zowel over een uitwendig
(zoals de insecten) als over een inwendig skelet (zoals nagenoeg
alle reptielen, de vogels en de zoogdieren) beschikt. Dat is een
uitstekende fysiologie om te overleven in Jan Fabres universum,
dat zowel de verblindende schoonheid als de blinde hardheid van
de natuur – en van onze huidige beschaving - reflecteert.
De ruggengraat en de ribben van de schildpad zijn volledig met
het schild vergroeid. Daardoor lijkt de schildpad een beetje op
een middeleeuwse ridder met een hopeloos zwaar harnas, enkel in
staat om poten, nek en staart te bewegen. Men laat zich evenwel
best niet misleiden door haar ogenschijnlijke onhandigheid en
traagheid. De meeste schildpadden zijn behendige, sterke klauteraars
of zwemmers, en wat ze in snelheid te kort schieten, maken ze
goed door hun instinctieve intelligentie, hun doorzettings- en
hun uithoudingsvermogen. Charles Darwin noteerde, tijdens een
verblijf op de Galapagoseilanden:
“Als de schildpadden zich doelbewust naar een bepaald punt
begeven, dan trekken zij dag en nacht en bereiken het doel veel
eerder dan men zou verwachten.”
De haas in de bekende fabel van de Griekse dichter Aesopus mocht
het aan den lijve ondervinden.
Zoals elke dappere krijger is de schildpad evenwel ook kwetsbaar.
Terwijl het mannetje van de zeeschildpad zijn leven lang in zee
blijft, zwemt het vrouwtje soms honderden kilometers ver naar
het strand van haar geboorte, waar ze zich met de inzet van al
haar krachten tot buiten de vloedlijn sleurt. Daar graaft ze een
put en legt haar eieren. Terwijl ze dat doet is ze zo geconcentreerd
– in trance als het ware – dat ze niets merkt van
wat er rond haar gebeurt. Roofvogels, coyotes en mensen maken
daar soms gebruik van om haar of haar nest aan te vallen. Na het
leggen van de eieren dekt de moeder het nest toe en keert terug
naar zee. Wanneer pasgeboren zeeschildpadjes uit hun nest klauteren
en vervolgens massaal en hals over kop naar zee rennen, worden
ze opgewacht door dezelfde hongerige roofdieren, en als ze de
stormloop overleven, is het een raadsel hoe ze het verder rooien.
Men neemt aan dat één op duizend jongen de geslachtsrijpe
leeftijd halen. Sommige soorten, zoals de landschildpadden op
de Galapagoseilanden, worden tot 150 jaar oud, maar ook die oude
dieren komen nagenoeg allemaal op noodlottige wijze aan hun einde,
bijvoorbeeld door in een afgrond te storten. Krijger van de Schoonheid,
Krijger van de Wanhoop. De sculptuur met die titel, ook Vlaamse
Krijger genoemd en in 1996 door Jan Fabre gecreëerd, bestaat
uit een hoofd van door elkaar krioelende juweelkevers, de borstplaat
van een middeleeuws harnas en een stel houten poten. De Krijger
van de Wanhoop heeft de oren van een Vlaamse Reus en de snuit
van een schildpad.
De schildpad is een absolute meester van de metamorfose, nog een
centrale vereiste om aan de strenge wetten van Fabres universum
het hoofd te bieden. Ze heeft geen tanden; in plaats daarvan heeft
ze kaken met een scherpe snijrand, waardoor ze over een soort
vogelbek beschikt. Als ze haar kop en poten onder haar schild
terugtrekt, zich in haar huis opsluit, dan wordt ze even immobiel,
sterk en ondoordringbaar als een stuk rots – ze wordt rots.
De lijnen op haar pantser, een soort jaarringen waaruit de opeenvolgende
stadia van de groei van het schild af te lezen zijn, laten haar
dan weer op een boomstronk lijken. De schitterende patronen waarmee
het pantser getooid is, nemen ook vaak de vorm van topografische
lijnen op een landkaart aan (er bestaat zelfs zoiets als de ‘landkaartschildpad’).
Voor veel Noord-Amerikaanse Indianenstammen was het land waarop
ze leefden het rugschild van een enorme ‘moederschildpad’,
die in een uitgestrekte oerzee dreef. In het antiek-Griekse orakel
van Delphi fungeerden schildpadden als orakelsteen. Krijgers kwamen
de tekeningen in de ‘stenen’ ontcijferen om strategieën
uit te tekenen vooraleer ze naar het slagveld trokken. Op die
wijze maakt de schildpad tevens deel uit van de oorsprong en de
genese van taal en beeld, en bijgevolg van kunst en wetenschap.
Dit geloof in de leugen van de verbeelding, in het wonder van
de verschijning van het beeld is een centraal en steeds terugkerend
element in de kunst van Jan Fabre. Zelf schrijft hij daarover:
“Vanaf het begin zagen mensen beelden. Daarom hebben mensen
eigen beelden gecreëerd. Mensen zagen beelden in een bot,
een steen, een stuk hout, in het vuur. Ze zagen ze in de onregelmatige
oppervlakte van de rotswanden. Wetenschap en kunst zijn niet marginaal.
Ze zijn universeel bezit en onze belangrijkste wapens.”
Jan Fabre laat beelden en tekens als monsters opdoemen uit de
wirwar van duizenden lijnen van zijn bictekeningen, uit de rorschachvlekken
van zijn tekeningenreeks Verschillende uren, of uit het de duizenden
kevers van het plafond van de Spiegelzaal in het Koninklijk Paleis.
En als een meesterlijke Krijger van de Schoonheid, als een geniale
danser, is de schildpad zowel ding, dier en lichaam als huis,
beeld en teken: een schitterende metafoor, een alchemistische
wisselwerking van geest en materie, die de paradoxen van leven
en dood incarneert. Een potlood- en bloedtekening uit 1982, Stralenschildpad
met orakelbloed, toont een schildpad met een pantser vol tekens,
met daarboven een aantal bloedvlekken. De schildpad draagt een
kaars op de rug, als een baken in de onnoemelijke duisternis van
het bestaan.
Eind jaren ’70 voert Jan Fabre de Zeno-performance uit.
Hij plaatst kaarsjes op de ruggen van een troep schildpadden,
en organiseert er wedstrijden mee, waarbij hij – net als
de krijgers in Delphi - op de schildpadden gokt. De performance
roept onder andere reflecties op over tijd en snelheid. Onovertroffen
meester in de onontwarbare paradoxen van veelheid en beweging
is de Griekse filosoof Zeno van Elea (5de eeuw voor Christus).
In zijn tweede paradox van de beweging, ook bekend als Achilles
en de schildpad, vertrekt hij van de veronderstelling dat ruimte
en tijd oneindig deelbaar zijn. Achilles is de meest lichtvoetige
krijger van de antieke oudheid. Als de schildpad evenwel met een
voorsprong vanuit punt B vertrekt, en Achilles vanuit punt A,
kan Achilles de schildpad niet meer inhalen, want als hij punt
B bereikt, is de schildpad al op punt C, en wanneer Achilles punt
C bereikt heeft, is de schildpad op punt D, enzovoort tot in het
oneindige. Op grond van deze allerminst van humor gespeende maar
uiterst hard te weerleggen bewijzen wordt Zeno beschouwd als een
voorloper van de differentiaal- en integraalrekening. Ook de Mexicaanse
Maya’s brachten de schildpad in verband met wiskundige stelsels.
Het is echter veelbetekenend dat dit prehistorische dier tot op
vandaag voor de wetenschap grotendeels een wazig raadsel blijft.
De transparante procedures van de Westerse rationaliteit krijgen
er geen greep op, ondanks het toegewijde onderzoek van onder andere
Charles Darwin, van wie nog volgende getuigenis over de reuzenschildpadden
in de Galapagosarchipel: “Telkens wanneer ik een van deze
grote monsters, die rustig voortdroop, inhaalde, vermaakte het
mij dat het dier op het moment dat ik passeerde, plotseling kop
en poten introk en onder het uiten van een luid gesis met een
zware plof als dood op de grond plofte. Dikwijls ging ik op zijn
rug zitten en gaf hem een paar tikken op het achterste deel van
het schild, waarop het dier opstond en voortwandelde. Het kostte
me echter wel veel moeite het evenwicht te bewaren.” Men
vermoedt dat de meeste schildpadden nauwelijks horen, maar dat
ze gebruik maken van een bijkomend, ‘seismisch’ zintuig,
waarmee ze grondtrillingen van een lage frequentie zouden kunnen
registreren. Hoe vindt de zeeschildpad haar geboortegrond terug?
Hoe functioneert haar feilloze oriëntatiegevoel en magistrale
stuurmanskunst? Wat speelt zich af tijdens de zogenaamde ‘verloren
jaren’, wanneer de jonge zeeschildpadden uit het zicht verdwijnen,
om pas weer op te duiken als volwassen exemplaren? Reeds voor
de oude Egyptenaren waren schildpadden bewoners van duistere wateren,
tegenpolen van de zonnegod Ra. Precies vanuit die oeroude duisternis
blijft de schildpad als metafoor onverminderd de verbeelding prikkelen
en aanzetten tot de creatie van vindingrijke interpretaties, intrigerende
verhalen en krachtige beelden. Dit is het veld waarin wetenschappers
en kunstenaars tot nieuwe ontdekkingen komen, en waarin Utopia
haar voedingsbodem vindt.
Searching for Utopia, het bronzen beeld van de vrouwelijke zeeschildpad
en haar ruiter, kan niet los gezien worden van de performance
die Jan Fabre in 2001 te Lyon uitgevoerd heeft. Getooid in een
zwaar harnas en met de kop van een mantis of bidsprinkhaan op
het hoofd, maakte Fabre tekeningen met zijn eigen bloed, dat stelselmatig
afgetapt werd. Dat resulteerde in een reeks letterlijk bloedstollende
tekeningen, waarin vlek, beeld en tekst door elkaar lopen. Een
van de teksten luidt: “There’s no getting used to
art. Changing the world is an impossibility. In a world in which
everything happens by chance, the artist can at best win a chance
victory over chance. Every artist animal for himself, like shipwrecked
sailors.”
Van Dale definieert Utopia als ‘droombeeld, niet te verwezenlijken
ideaal’. Utopia bevindt zich traditioneel op een geïsoleerd
eiland, waar de schipbreukeling aanspoelt na een catastrofale
reis. De utopie houdt zich op in het imaginaire domein voorbij
de grens tussen leven en dood, maar oefent van daaruit haar productieve,
beeldende kracht uit op al wie de gok wil wagen, die het spel
van leven en dood wil meespelen. Samen met de schildpad heeft
Jan Fabre zijn blik op oneindig gericht, gedreven door het verlangen
naar de verloren jaren achter de horizon. Vertrouwend op het oeroude
oriëntatiegevoel en de stuurmanskunst van de schildpad gaat
hij op weg voor een catastrofale reis, Utopia tegemoet.
Net voor het vertrek doen de schildpad en de ruiter nog een ‘schildpad-klapke’.
Fabre vertelt over een van zijn oude ‘denkmodellen’,
getiteld De andere kant is interessant omdat het de andere kant
is.
“Die bezit dezelfde verrassing,” zegt hij tegen de
schildpad, “als wanneer je achter een vrouw wandelt en op
basis van het rugaanzicht denkt dat ze jong, mooi en aantrekkelijk
is. Tot je haar voorbijgaat en voorkant ziet.”
Tekst: Frank Maes